Zelfdeterminatietheorie

Dashboard / Binnenklasdifferentiatie / Intermediate - Zelfdeterminatietheorie

Zelfdeterminatie theorie

Gemotiveerde leerlingen leren beter, ze voelen zich ook beter in hun vel en ze stellen minder moeilijk hanteerbaar gedrag. Maar je leerlingen motiveren is makkelijker gezegd dan gedaan. Je werkt met leerlingen die soms al zes uur moesten stilzitten, hun gsm of oortjes lachen verleidelijk naar hen of ze zijn gewoon even met andere dingen bezig dan jouw les. Je leerlingen hebben natuurlijk ook zelf hun verantwoordelijkheid voor hun leerproces. Je kan hen helpen leren, maar je kan niet voor hen leren. Als leerkracht heb je wel een grote invloed op de motivatie van leerlingen. De zelfdeterminatietheorie is een eenvoudig en duidelijk kader dat jou een houvast geeft om jouw leerlingen te motiveren en jouw lessen te versterken.

Prof. Vansteenkiste (Universiteit Gent, Vakgroep Ontwikkelingspsychologie) neemt ons mee in het kader van de zelfdeterminatietheorie. In de podcast legt hij uit dat inzetten op autonomie, betrokkenheid en competentie een wereld van verschil maken zowel voor de leerlingen, als voor jou. Moetivatie wordt motivatie!

Ken je de theorie reeds maar mis je de link met BKD, beluister dan de volgende podcast

 

Moetivatie of motivatie?

Motivatie is onze reden om in actie te schieten en iets te doen. De zelfdeterminatietheorie zet niet in op de hoeveelheid motivatie, maar op de kwaliteit van de motivatie, waarbij autonome motivatie sterker is dan gecontroleerde:

Wanneer je gecontroleerde motivatie ervaart dan doe je iets omdat je druk voelt. Je kan druk voelen van buitenaf (verwachtingen van anderen, er is bijvoorbeeld een straf of beloning verbonden aan het verwachte gedrag) of je kan ook druk vanuit jezelf voelen (je voelt schuld, schaamte of angst wanneer je bepaald gedrag al dan niet stelt). Leerlingen die vooral gecontroleerde motivatie ervaren, doen de dingen omdat het moet, niet omdat ze dit willen.

Wanneer je autonome motivatie ervaart dan doe je iets omdat je het zelf wil. Je kan iets willen omdat je het zelf waardevol of zinvol vindt. De sterkste autonome motivatie ervaar je wanneer je iets doet omdat je er oprecht plezier van ervaart of oprechte interesse hebt. Leerlingen die autonoom gemotiveerd zijn, doen dingen omdat ze dat willen, niet omdat het moet.
We zien in onderzoek dat autonome motivatie heel wat voordelen met zich meebrengt. 

Autonome motivatie versterkt:

  • Leerproces
  • Prestaties
  • Volhouden
  • Concentratie
  • Plannen van studieactiviteiten
  • Diepgaand leren
  • Welbevinden
  • Prosociaal gedrag

Hoe doe je dit nu als leerkracht? Hoe versterk je de autonome motivatie van de kinderen in je klas? Het ABC- principe kan je hierbij helpen., soms ook het CAR-principe genoemd.

 

Het ABC principe

Bij autonoom gemotiveerde leerlingen is er voldaan aan drie basisnoden, namelijk Autonomie, verBondenheid (of Relaties) en een gevoel van Competentie. Deze drie principes zijn even belangrijk, de autonome motivatie van leerlingen komt onder druk wanneer één van de drie ontbreekt. Dit geldt trouwens niet enkel voor leerlingen. We vatten de drie principes samen en geven daarna tal van ideetjes en inspiratie om er zelf mee aan de slag te gaan. Belangrijk is ook dat je steeds aftoetst bij de leerlingen of je jouw doel bereikt: je wil hen autonomie geven, maar ervaren zij die ook?

Autonomie

Autonomie hebben betekent dat je zelf keuzes kan maken en dat je invloed hebt op je omgeving. Autonoom zijn betekent niet volledig onafhankelijk of zelfstandig zijn. Autonome leerlingen zijn interafhankelijk, ze kunnen zelf beslissen wanneer ze ondersteuning vragen of geven. 

Verbondenheid 

Verbondenheid gaat over het gevoel van ‘erbij horen’ en voldoening en steun halen uit sociale relaties. Het betekent dus niet dat we de hele tijd moeten samenwerken om ons verbonden te voelen. Verbondenheid zorgt er voor dat leerlingen elkaar meer respecteren en makkelijker hulp geven en ontvangen.

Competentie

Een gevoel van competentie ervaren we in situaties die ons uitdagen, waarvan we weten dat we ze aan kunnen maar die toch niet te makkelijk zijn. Competentie gaat over het geloof en vertrouwen dat men bekwaam en in staat is om zinvolle resultaten te halen. 

Om je leerlingen een gevoel van competentie te laten ervaren is het belangrijk om op twee zaken in te zetten, namelijk het werken binnen de zone van naaste ontwikkeling en het bieden van de juiste mate van structuur.

Je leerlingen ervaren competentie wanneer je hen laat werken en leren in hun zone van naaste ontwikkeling. Dit betekent dat ze werken aan kennis en vaardigheden die net iets te moeilijk zijn en die ze met wat extra inspanning of een beetje hulp wel onder de knie krijgen. Hiervoor moet je je leerlingen goed kennen. Wat kunnen ze? Hoe daag ik ze voldoende uit?. Dit ontdek je door breed te evalueren (interne link) en te ontdekken waar ze in hun leerproces staan. Hier gaat het voornamelijk over het stellen van hoge maar realistische verwachtingen voor elke kind, ook betreffende gedrag. 

Je kan op twee gebieden structuur aanbieden, namelijk op disciplinair vlak en in het leerproces. Disciplinaire structuur betekent dat de regels, afspraken en verwachtingen in de klas en op school duidelijk zijn en consequent worden opgevolgd. Wat dit kan betekenen voor gedrag zien we in de methodiek van Positive Behaviour Support. Structuur in het leerproces zorgt er voor dat leerlingen zich bekwaam en competent voelen. Dit doe je door leerinhouden op te delen in haalbare (tussen)stappen of door tips te geven wanneer leerlingen vastlopen. Het is ook belangrijk dat je leerlingen voldoende feedback geeft en ook aandacht hebt voor positieve feedback. Structuur aanbieden betekent niet dat je alles voor structureert, je gaat doorheen het schooljaar op zoek naar de juiste mate van structuur voor jouw leerlingen.

 

Aan de slag met ABC

Hoogstwaarschijnlijk heb jij in jouw klas al eens (onbewust) de autonomie, verbondenheid en competentie van jouw leerlingen versterkt. Denk eens terug aan de voorbije lesweek en zoek een voorbeeld uit jouw eigen praktijk voor elk element. Geen inspiratie? Geef morgen jouw gewone lessen, maar hou het idee van autonomie in je achterhoofd, wedden dat je een moment ontdekt? Hoe klein ook? Hou overmorgen het begrip verbondenheid en de dag erna is competentie aan de beurt.

 

Autonomie

  • Geef inspraak
    • Samen afspraken maken en samen beslissen wat de gevolgen zijn wanneer afspraken niet worden nageleefd. Je kan naast de afspraken ook enkele vaste regels hebben waar geen discussie over kan zijn, bijvoorbeeld rond veiligheid.
    • Bespreek welke oefeningen/inhouden de leerlingen als huiswerk willen en wat ze in de klas willen zien
    • Zoek samen een geschikte datum voor de taak of toets
    • Laat de leerlingen zelf kiezen welke onderwerpen bij bv geschiedenis ze uitgebreid willen zien en welke onderwerpen korter besproken worden
    • Ga in gesprek met je leerlingen over hoe je de beoogde doelen in het curriculum wil behalen
  • Geef uitleg en betekenis bij leerinhouden, opdrachten en regels zodat de leerling het belangrijk vindt
    • Een uitleg bij bepaalde regels kan helpen om de regels te aanvaarden
    • Vertel waarvoor jij bepaalde kennis of vaardigheden al nodig had in jouw leven
    • Vertel wat leerlingen de vorige jaren ontdekten tijdens een opdracht
  • Speel in op de interesses en de persoonlijke waarden van de leerlingen zodat de leerling het interessant vindt
    • Wat vinden de leerlingen belangrijk om te leren op school? Laat hen dingen bedenken, maar stel ook zelf dingen voor om hun horizon te verbreden en nieuwe interesses te ontdekken
    • Hoe willen zij conflicten oplossen?
    • Laat de leerlingen zelf een lijst met thema’s voor bv. werkstukken opstellen
  • Geef keuzemogelijkheden
    • De leerlingen krijgen de keuze om de informatie te verwerken via een boek te lezen, een presentatie te maken, een interview te doen.
    • De leerlingen kunnen kiezen om al dan niet gebruik te maken van een hulpmiddel bij een opdracht
    • Hoe willen de leerlingen tonen wat ze leerden? Een PowerPoint, Prezi, dansje, toneeltje, tekst, verhaal, schema, alles kan!
    • Biedt verschillende werkplekken aan, verschillende hoeken in de klas, op de speelplaats, in de gang.
  • Geef tijd om te experimenteren en problemen op te lossen op hun eigen manier
    • Bij een conflict, bekijk je samen met de leerlingen wat de handelingsopties zijn?
    • Moedig de leerlingen aan hun eigen stappenplan voor het oplossen van bv rekenoefeningen te maken en deel deze met elkaar
    • Test veranderingen (nieuwe afspraken, nieuwe structuur van de banken, nieuwe vorm van werkbladen, ... ) uit en laat de leerlingen na enkele weken evalueren
    • Deel je eigen ervaringen met experimenteren en problemen oplossen, benoem jouw faalmomentjes vooral als leerkansen
    • Laat falen toe en moffel het niet weg, waar anders dan in de cocon van de schooltijd krijgen we de kans om te falen en hieruit te leren?
  • Geef verantwoordelijkheid op maat
    • Laat leerlingen zelf beslissen wanneer ze aan de opdracht werken, maar geef impactvolle gevolgen bij uitstelgedrag, zoals nablijven als ze drie dagen voor de deadline nog niet hebben.
    • Laat het werkstuk van de leerlingen deel uitmaken van de te kennen leerstof, zo zijn ze verantwoordelijk voor een stuk van het leren van hun medeleerlingen
    • Geef de leerlingen bij een groepswerk verschillende rollen (of laat hen deze zelf kiezen om meer inzicht in hun voorkeuren te krijgen) waardoor ze allemaal interafhankelijk zijn voor het welslagen van het groepswerk

 

Betrokkenheid

  •  Leg connecties tussen de leerlingen (of faciliteer interacties tussen de leerlingen)
    •  Beantwoord de vraag van een leerling niet meteen maar speel deze door aan een klasgenoot.
    • Plaats de banken in eilandjes in plaats van rijtjes
    • Start de dag met een kort kringgesprek, eventueel met een thema
    • Grijp gebeurtenissen in het leven van de leerlingen aan als thema’s in de klas: een nieuw broertje kan je gebruiken in de les biologie, iemand die verhuist heeft heel wat wiskunde nodig om de nodige hoeveelheid verf te berekenen, welke kennis en vaardigheden hebben de ouders nodig bij hun werk?
    • Laat leerlingen eens samenwerken met iedereen in de klas of maak groepjes van leerlingen die minder met elkaar praten of spelen
    • Laat de medeleerlingen bij een presentatie van medeleerlingen een kort applaus geven, als appreciatie
  • Zorg dat iedereen kan participeren aan opdrachten en activiteiten en zoveel mogelijk in de klas/ groep aanwezig is
    • Geef een denkhoekje in de klas, en plaats leerlingen niet onmiddellijk uit de groep zetten, in de gang
    • Doe rustmomenten met heel de klas samen, zodat dat de leerling die hier specifiek nood aan heeft niet de klas uit moet en de andere leerlingen er ook van kunnen genieten
    • Geef alle leerlingen ongeveer evenveel spreektijd
    • Laat de leerlingen steeds rond hetzelfde thema of domein werken, maar elk op zijn/haar eigen niveau
    • Modelleer een inclusieve houding voor jouw leerlingen, als jij geduldig wacht tot de stotterende leerling kan uitspreken, dan zullen de andere leerlingen dat ook sneller doen
    • Laat leerlingen elkaar kort ondersteunen, daar leert iedereen van
  • Maak van je klas en school een veilige en gezellige plek zo komen alle leerlingen graag naar school
    • Laat de leerlingen zelf spulletjes van thuis meebrengen om de klas te versieren
    • Berg materiaal duidelijk gestructureerd en toegankelijk op
    • Maak zichtbaar waar je over bezig bent in de lessen met tekeningen, prenten en teksten
    • Stel mooie werkjes, teksten, projecten van leerlingen tentoon en hou ze meerdere jaren in jouw klas, zo zien de leerlingen dat jij echt apprecieert wat zij doen
    • Nodig (zeker bij jonge leerlingen) ouders uit in de klas
  • Werk aan je leerkracht-leerlingrelatie
    • Biedt zorg en warmte op jouw authentieke manier, hoe wil jij jouw leerlingen laten weten dat je er voor hen bent?
    • Toon oprechte interesse in jouw leerlingen, probeer op te vangen waar ze mee bezig zijn en ga er tussendoor op in, hoe is die voetbalmatch afgelopen? Welke game ben je aan het spelen? En ook: kunnen we daar iets mee in de lessen?
    • Zoek samen uit wat jouw leerlingen nodig hebben om in jouw klas, de leerstof van jouw lessen te verwerken. Wat heb jij nodig om die eerste vroege les ‘s ochtends toch goed te volgen en hoe kan ik als leerkracht en jouw medeleerlingen daarbij helpen?

 

Competentie

  • Hoge, realistische verwachtingen
    • Pubers hebben het moeilijk met plannen, toch blijf je hen uitdagen om een studieplanning op te stellen, met de nodige ondersteuning.
    • Geef elke leerling elke maand een persoonlijke, kleine verwachting mee of laat hen zelf een uitdaging stellen. Bv steeds voor de les naar het toilet gaan, de boekentas op de juiste plaats zetten, elke les hun hand eens opsteken om te antwoorden, enz
    • Evalueer wat jouw bewuste en onbewuste verwachtingen zijn van jouw leerlingen, ook jouw impliciete verwachtingen hebben een grote invloed
    • Werk met feed up, feed forward en feed back (interne link breed evalueren)
    • Pas ondersteuning aan op maat en werk in de Zone van naaste ontwikkeling. Ondersteun je leerlingen bijvoorbeeld bij het oplossen van conflicten:
  •  Structuur bieden
    • Doorheen de school- een ‘leerlijn’ op gebied van structuur opmaken. 
    • Duidelijke dagschema’s aanbieden
    • De beertjes van Melchenbaum aanleren en altijd visueel zichtbaar maken voor de leerlingen.
    • Een grotere opdracht (laten) opdelen in kleinere opdrachten
    • Simpel overzicht van de belangrijkste afspraken in de klas aanbieden
    • Werk met kleine korte rituelen die structuur en voorspelbaarheid bieden, hoe begroeten we elkaar? Hoe ronden we de les af? Hoe geef je aan dat de les begint na een overgangsmoment?
  • Constructieve feedback aanbieden